Dit hoofdstuk is van toepassing op de in artikel 2, eerste en derde lid, van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement bedoelde vaarwegen, voorzover deze in beheer zijn bij het Rijk en op de in bijlage 10 vermelde vaarwegen.
  • 1. Een schip of een samenstel moet zich voor wat betreft de in bijlage 13 vermelde vaarwegen en kunstwerken houden aan de daar aangegeven grootste lengte, breedte en diepgang.

  • 2. Een schip of samenstel voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen, wanneer deze wordt aangemerkt als bijzonder transport in de zin van artikel 1.21, eerste lid, en daaraan een vergunning is verstrekt op grond van artikel 1.21, tweede lid, waarin de lengte, breedte en diepgang van de vaarwegen en kunstwerken op de door het schip of samenstel af te leggen route in aanmerking zijn genomen.

  • 3. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 1.Het is verboden op de in bijlage 14, onder a, vermelde vaarwegen, of gedeelten daarvan, ligplaats te nemen (ankeren en meren).

  • 2.Op een gedeelte van een vaarweg waar ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:

    • a. aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen;

    • b. laden, lossen of ontgassen.

  • 3.In een vlucht- of overnachtingshaven en een werkhaven mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:

    • a. langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats nemen;

    • b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats nemen.

    Het ligplaats nemen wordt geacht niet te zijn beëindigd, indien het schip, het drijvende voorwerp of de drijvende inrichting over minder dan 500 m is verplaatst.

  • 4.Een duwstel als bedoeld in artikel 9.06, eerste lid, mag slechts worden samengesteld of ontkoppeld op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaatsen.

  • 5.Het in het eerste lid genoemde verbod is op de in bijlage 14, onder b, genoemde vaarwegen niet van toepassing op een klein schip dat op een veilige plaats buiten het voor de doorgaande scheepvaart bestemde vaarwater ligt.

  • 6.De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 1.Op de in bijlage 15, onder a, vermelde vaarwegen mag een klein schip slechts varen indien het is voorzien van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is, en waarmee een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur ten opzichte van het water kan worden gehandhaafd.

  • 2.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de Geldersche IJssel, de Boven-Merwede, de Neder-Rijn en het Pannerdensch Kanaal, moet een klein schip zo veel mogelijk aan de stuurboordszijde van het vaarwater varen.

  • 3.Op de in het eerste lid bedoelde vaarwegen is het niet toegestaan het vaarwater op te kruisen.

  • 4.Het in het eerste lid genoemde verbod, is op de daar bedoelde vaarwegen, met uitzondering van de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden, niet van toepassing op schepen die bestemd zijn om door spierkracht te worden voortbewogen en ook daadwerkelijk als zodanig worden gebruikt.

  • 5.Op de vaarweg ten westen van de sluizen te IJmuiden kan de bevoegde autoriteit aan in het vierde lid bedoelde schepen ontheffing verlenen van de in het eerste lid vermelde vereisten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 6.Op de in bijlage 15, onder b, genoemde vaarwegen moeten een varend en een geankerd klein schip bij slecht zicht een goed functionerende radarreflector voeren.

  • 1.Onverminderd artikel 9.04, eerste lid, is het op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van de in bijlage 16 opgenomen vaarwegen verboden te varen met een zeilplank.

  • 2.Het is verboden te varen met een door een vlieger voortbewogen plank.

  • 3.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen of gedeelten daarvan aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in het tweede lid, overdag niet van toepassing is.

  • 1. Op de in bijlage 17, onder a, vermelde vaarwegen mogen een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 193 m ofwel de breedte meer bedraagt dan 22,90 m varen, indien:

    • a. de ten hoogste toegelaten afmetingen zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel onder vermelding van de toegelaten formatie en van de toegelaten belading voor de van toepassing zijnde vaarrichting;

    • b. het duwstel niet meer dan zes duwbakken bevat, waarbij in afvaart ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer mogen hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd, waarbij vier zeeschipbakken achter elkaar gelden als één duwbak;

    • c. aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurhut van de duwboot of van het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel bedienbare kopbesturing beschikbaar is;

    • d. de waterstand aan de peilschaal te Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen;

    • e. het geen gevaarlijke stoffen vervoert voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN vereist wordt.

  • 2. Onverminderd het eerste lid geldt voor duwstellen met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m:

    • a. het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW;

    • b. in de lange formatie moeten tenminste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben. In de brede formatie mag ook zonder kopbesturing worden gevaren, indien tenminste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst.

  • 3. Op de in bijlage 17, onder b, vermelde vaarwegen mag een duwstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m slechts bij buitengewone plaatselijke omstandigheden varen, indien:

    • a. het is voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen, die vanuit de stuurhut van de duwboot kan worden bediend; indien de kopbesturing bestaat uit koproeren moeten deze voor iedere betreffende duwbak een effectieve oppervlakte van tenminste 2 m2 hebben;

    • b. de gemiddelde diepgang groter is dan 2,00 m of de diepgang over tenminste 50% van de lengte van de duwbakken groter is dan 2,50 m; of

    • c. het duwstel wordt geassisteerd.

  • 4. Op de in bijlage 17, onder c, vermelde vaarwegen mogen een alleenvarend motorschip en een duwstel en een gekoppeld samenstel waarvan de lengte meer bedraagt dan 90 m varen, indien zij zijn voorzien van een kopbesturing van voldoende effectief vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend.

  • 6. Als kopbesturing van een duwstel wordt tevens beschouwd de boegschroef van de duwboot, indien deze zich op ten hoogste 45% van de lengte van het duwstel gerekend vanaf de kop daarvan bevindt.

  • 7. De in dit artikel bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen mogen buiten de daarvoor aangewezen ligplaatsen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.

  • 8. De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen dan die welke volgens dit artikel zijn toegelaten, met andere wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden voor het te bevaren vaarweggedeelte toelaten.

  • 1. Een groot schip van een door de bevoegde autoriteit aangegeven categorie, een bijzonder transport, een drijvende inrichting en een drijvend voorwerp waarvan het verplaatsen klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan veroorzaken, melden zich op de door de bevoegde autoriteit aangegeven wijze, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.

  • 2. Een in het eerste lid bedoeld groot schip, luistert op de in bijlage 9 en bijlage 10 genoemde vaarwegen uit en neemt zonodig deel aan de ter plaatse gevoerde communicatie op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal, overeenkomstig de daartoe gestelde regels.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht is tevens van toepassing op een klein schip, waarmee wordt vervoerd een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van richtlijn nr. 2002/59/EG.

  • 4. De in het tweede lid bedoelde uitluister- en communicatieplicht is tevens van toepassing op een klein schip, wanneer het de in het derde lid bedoelde stoffen vervoert, of wanneer het een klein schip betreft dat is uitgerust met een marifooninstallatie.

  • 6. De in het eerste en tweede lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op het gebruik van bepaalde communicatiemiddelen aan boord van het schip, het melden van aankomst, vertrek of positie van het schip, alsmede op gegevens met betrekking tot het schip, de daarmee vervoerde lading of de uit te voeren reis.

Het is verboden op de in bijlage 18 vermelde vaarwegen, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, varend brandstof af te leveren.