• 1.Onverminderd de andere bepalingen van dit reglement moeten een schip en een drijvend voorwerp zodanig ligplaats nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.

  • 2.Afgezien van andere regelingen moet een drijvende inrichting een zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrijblijft voor de scheepvaart.

  • 3.Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, dan wel dat daardoor geen schade aan oevers, waterkeringen of werken gelegen in scheepvaartwegen kan ontstaan. Hierbij moet met name rekening worden gehouden met wind, stroom en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.

  • 4.Een stilliggend schip mag zonder toestemming van de bevoegde autoriteit niet onnodig waterbeweging veroorzaken, indien daardoor gevaar of schade voor een ander schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, dan wel schade aan oevers, waterkeringen of werken gelegen in scheepvaartwegen kan ontstaan.

  • 5.Een niet-vrijvarende veerpont moet, indien hij buiten dienst is, ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats dan wel, zo deze niet is aangewezen, zodanig, dat het vaarwater vrij blijft, en mag zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor de uitoefening van de dienst nodig is.

  • 1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken ligplaats nemen is verboden;

    • b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit;

    • c. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5 (bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht;

    • d. onder een brug of onder een hoogspanningslijn;

    • e. in een engte in de zin van artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, zomede in een vak van of op een plaats in de vaarweg waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan;

    • f. waar in een vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;

    • g. in het traject van een veerpont;

    • h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of vandaar vertrekken;

    • i. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, waar schepen kunnen keren, aangeduid door het teken E.8 (bijlage 7);

    • j. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;

    • k. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.5.1. (bijlage 7), binnen de afstand, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is aangegeven.

  • 2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar ligplaats nemen is verboden mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel ligplaats nemen op een bijzondere ligplaats aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 (bijlage 7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.

  • 3. De schipper van een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, die noodgedwongen ligplaats hebben genomen op een gedeelte van de vaarweg waar ligplaats nemen is verboden, moet daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

  • 1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken ankeren is verboden;

    • b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.

  • 2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar ankeren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.

  • 1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet meren:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg, waar bij algemene regeling dan wel krachtens een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken meren is verboden;

    • b. in een vak van of op een plaats in de vaarweg, aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.

  • 2. Op een gedeelte van de vaarweg, waar meren is verboden, mag een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting evenwel meren in een vak of op een plaats, aangeduid door het teken E.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.

  • 3. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen bij meren of verhalen niet gebruik maken van andere voorwerpen dan die welke daartoe zijn bestemd.

  • 1. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5 (bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht.

  • 2. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.1 (bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen binnen de afstand, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is aangegeven.

  • 3. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.2 (bijlage 7), mogen een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen tussen de beide afstanden te rekenen vanaf het teken die daarop in meters zijn aangegeven.

  • 4. Op een bijzondere ligplaats, aangeduid door het teken E.5.3 (bijlage 7), mogen aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, een schip en een drijvend voorwerp ligplaats nemen, indien daarmede het aantal schepen en drijvende voorwerpen langszijde van elkaar aldaar niet meer bedraagt dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.

  • 5. De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.

  • 1. Op een bijzondere ligplaats aangeduid door één der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 (bijlage 7) mag een schip ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken van toepassing is.

  • 2. Op de bijzondere ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften zijn gesteld, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.

  • 3. De in dit artikel vermelde bijzondere ligplaatsen zijn die bedoeld in artikel 7.02, tweede lid.

  • 1. Een schip mag geen ligplaats nemen binnen de afstanden ten opzichte van een ander schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, zoals hieronder wordt bepaald:

    • a. binnen 10 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;

    • b. binnen 50 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voert;

    • c. binnen 100 m van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.

  • 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet:

    • a. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;

    • b. voor een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.

  • 3. De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen kleinere afstanden toestaan dan die welke in het eerste lid zijn vermeld.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor de afstanden binnen welke een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, dat verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14 te voeren, geen ligplaats mag nemen van een ander schip.

  • 1. Een stilliggend schip dat is geladen met de stoffen, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren moet zijn gesteld onder een zich voortdurend aan boord bevindende terzake kundige wachtsman. Deze verplichting geldt niet voor een in een haven stilliggend schip waaraan de bevoegde autoriteit daarvan vrijstelling of ontheffing heeft verleend.

  • 2. Een ander stilliggend schip moet, voor zover het geen schipper heeft, zijn gesteld onder toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij de bevoegde autoriteit aan een schip van deze verplichting vrijstelling heeft verleend, dan wel hij gedoogt dat dit zonder toezicht stilligt.

    Deze bepaling is eveneens van toepassing op een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting wanneer zij stilliggen.

Een aan een aanlegplaats gemeerd schip moet gedogen, dat een ander schip langszijde komt of langszijde daarvan vastmaakt en daarover gemeenschap met de wal heeft anders dan om te laden of te lossen.

Indien van langszijde van elkaar stilliggende schepen een schip wil vertrekken of verhalen dan wel ruimte wil hebben voor het langszijde komen van een schip ten behoeve van overslag, moet elk van de andere schepen daaraan de nodige medewerking verlenen.

Een aan een aanlegplaats gemeerd schip, dat aldaar niet behoeft te worden geladen of gelost, moet verhalen, indien een ander schip aldaar dient te worden geladen of gelost.