• 3.De artikelen 3.21, 3.23, 3.25 en 3.26 zijn eveneens van toepassing op een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting die is vastgevaren.

  • 4.Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.

  • 5.Bij het varen door de doorvaartopening van een vaste brug of van een beweegbare brug in gesloten toestand dan wel van een ander kunstwerk mogen de in dit hoofdstuk bedoelde tekens zoveel lager worden gevoerd als hiervoor nodig is.

  • 6.Een vóór een sluis stilliggend schip dat wacht om te worden geschut en een vóór een beweegbare brug stilliggend schip dat wacht tot het doorvaren wordt toegestaan mogen de lichten en dagtekens blijven voeren, die zijn voorgeschreven voor een varend schip.

  • 7.Een schetsmatige weergave van de bij dit hoofdstuk voorgeschreven tekens is opgenomen in bijlage 3.

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. toplicht: wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30′ achterlijker dan dwars en dat uitsluitend over deze boog zichtbaar is;

  • b. boordlichten: groen helder licht aan stuurboordszijde en rood helder licht aan bakboordszijde die elk schijnen over een boog van de horizon van 112°30′ en wel elk aan zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30′ achterlijker dan dwars en die uitsluitend over deze boog zichtbaar zijn;

  • c. heklicht: wit helder of gewoon licht dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30′ van recht achteruit en dat uitsluitend over deze boog zichtbaar is;

  • d. rondom schijnend licht: een licht dat schijnt over een boog van 360° en dat over deze boog zichtbaar is;

  • e. hoogte:

    • hetzij: de hoogte boven het vlak door de onderkant der inzinkingsmerken ter plaatse van de grootst toegelaten diepgang, zoals deze ingevolge de voorschriften omtrent het vlak van de grootst toegelaten diepgang van binnenschepen voor het schip is vastgesteld voor de Rijn of daarmede volgens die voorschriften gelijkgestelde vaarwegen;

    • hetzij voor een schip dat niet is voorzien van inzinkingsmerken: de hoogte boven het bovenste doorlopende dek of bij gebreke hieraan boven het potdeksel.

  • 1.Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren gelijkmatig zijn.

  • 2.Een schip mag slechts de navigatielantaarns gebruiken:

    • a. waarvan de lantaarnhuizen, de uitrusting en de lichtbronnen het keurmerk dragen dan wel voorzien zijn van het certificaat voorgeschreven in de voorschriften die krachtens artikel 1.01, onder C.3° en C.4°, zijn vastgesteld, en

    • b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in overeenstemming zijn met dit reglement.

  • 3.De lichten van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan bovenvermelde voorschriften te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.

  • 1.Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de borden en vlaggen die een schip ingevolge dit reglement moet voeren rechthoekig zijn.

  • 2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.

  • 3.De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:

    • a. voor borden en vlaggen: een lengte en een hoogte van elk tenminste 1 m;

    • b. voor wimpels: een lengte van tenminste 1 m en een hoogte aan één zijde van tenminste 0,50 m.

  • 4.In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd.

  • 1.De cylinders, bollen, kegels en ruiten, die een schip ingevolge dit reglement moet voeren, mogen worden vervangen door voorwerpen die op een afstand dezelfde vorm vertonen.

  • 2.Zij mogen niet vervuild en de kleuren mogen niet verbleekt zijn.

  • 3.De afmetingen moeten tenminste als volgt zijn:

    • a. voor cilinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm;

    • b. voor bollen: een middellijn van 60 cm;

    • c. voor kegels: een hoogte van 60 cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm, zodanig dat de middellijn van het grondvlak niet meer is dan de hoogte;

    • d. voor ruiten: een lengte van de verticale middellijn van 80 cm en van de horizontale middellijn van 50 cm, zodanig dat de lengte van de horizontale middellijn niet meer is dan die van de verticale middellijn.

  • 4.In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn, dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd.

  • 1. Een schip mag geen andere tekens voeren of tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld en mag niet deze tekens voeren of tonen onder andere omstandigheden dan die welke in dit reglement zijn voorzien.

  • 2. Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen of met de wal geen tekens gebruiken die kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens.

Indien de lichten die een schip ingevolge dit reglement moet voeren niet kunnen werken, moet het schip deze onverwijld door noodlichten vervangen. Ingeval een krachtig licht wordt voorgeschreven, mag echter het noodlicht helder, en ingeval een helder licht wordt voorgeschreven, mag het noodlicht gewoon zijn. Het schip moet zo spoedig mogelijk wederom lichten van de voorgeschreven sterkte in gebruik stellen.
  • 1. Een schip mag geen lichten, verlichting of zoeklichten dan wel vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen doen zichtbaar zijn, die kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens dan wel de waarneembaarheid of de herkenning daarvan kunnen bemoeilijken.

  • 2. Een schip mag zijn lichten dan wel zijn verlichting of zijn zoeklichten niet op zodanige wijze gebruiken, dat zij door verblinding gevaar of hinder voor de scheepvaart kunnen veroorzaken.

  • 1.Een alleenvarend groot motorschip moet ’s nachts voeren:

    • a. een toplicht op het voorschip in de lengte-as van het schip op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • b. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht, en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;

    • c. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

  • 2.Een alleenvarend groot motorschip mag ’s nachts op het achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.

  • 3.Een groot motorschip dat wordt geassisteerd moet voeren:

    • a. ’s nachts: de in het eerste en tweede lid voorgeschreven lichten;

    • b. overdag: een gele bol op het voorschip op een hoogte van tenminste 5 m. Indien dit schip een zeegaand schip is, behoeft het de gele bol niet te voeren, doch mag het deze voeren.

  • 4.Een snel schip moet overdag en ’s nachts, naast de overige tekens die bij dit reglement zijn voorgeschreven, voeren: twee gele krachtige rondom schijnende snelle flikkerlichten, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 5.Een groot schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.

  • 6.Dit artikel is niet van toepassing op een veerpont, een vissersschip en een schip dat loodsdienst uitoefent.

  • 1.Het motorschip aan de kop van een sleep bestaande uit grote schepen, alsmede het motorschip dat een groot motorschip, duwstel of gekoppeld samenstel assisteert, moet voeren:

    • a. ’s nachts:

      • 1°. twee toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste op een hoogte van tenminste 5 m en het onderste voorzover mogelijk ten minste 1 m hoger dan de boordlichten. De hoogte van het bovenste licht mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

      • 2°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;

      • 3°. een geel helder of gewoon licht op het achterschip in de lengte-as van het schip, dat schijnt over dezelfde boog van de horizon als een heklicht en dat is aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengten achter het schip;

    • b. overdag: een gele cilinder die aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cilinder, en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 2.Indien een sleep verscheidene motorschepen bevat die niet in kiellinie varen dan wel verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, moet elk van deze schepen, in plaats van de in het eerste lid bedoelde toplichten, ’s nachts voeren:

    drie toplichten op het voorschip, in de lengte-as van het schip, in een verticale lijn telkens met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m. Het bovenste en het onderste toplicht moeten op dezelfde hoogte zijn aangebracht als voor de in het eerste lid bedoelde toplichten is voorgeschreven.

  • 3.Een groot schip van een sleep dat niet is het motorschip of een der motorschepen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voeren:

    • a. ’s nachts: een wit helder rondom schijnend licht, op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • b. overdag: een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is.

    Indien echter:

    • i. een lengte in een sleep langer is dan 110 m, moet deze lengte ’s nachts twee van deze lichten voeren, waarvan één voorop en één achterop;

    • ii. een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze bol voeren.

  • 4.Het grote schip of de grote schepen die de laatste lengte van een sleep vormen moeten ’s nachts, behalve het licht of de lichten voorgeschreven bij het derde lid, een heklicht op het achterschip voeren dat zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip is geplaatst op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

    Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden deze lichten voeren. Indien de laatste lengte van een sleep uit een klein schip of kleine schepen bestaat, wordt voor de toepassing van dit lid geen rekening met deze kleine schepen gehouden.

  • 5.Indien het in het derde lid bedoelde schip een zeegaand schip is, mag het, in plaats van de in het eerste tot en met vierde lid voorgeschreven tekens, voeren:

    • a. ’s nachts:

      • 1°. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het toplicht en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;

      • 2°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

    • b. overdag: een gele bol als voorgeschreven in het derde lid, doch behoeft het deze niet te voeren.

  • 1.Een duwstel moet des nachts voeren:

    • a.

      • 1e. drie toplichten op het voorschip van het voorste schip of van het meest aan bakboord geplaatste der voorste schepen, in de vorm van een gelijkzijdige driehoek met een horizontale basis in een vlak loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het bovenste licht op een hoogte van ten minste 5 m en de beide onderste lichten, ongeveer 1,25 m uit elkaar, ongeveer 1,10 m onder het bovenste licht;

      • 2e. een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat van voren over de volle breedte zichtbaar is, voorzover mogelijk 3 m lager dan het bovenste licht, bedoeld onder 1e.

      De masten waaraan deze lichten worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip waarop zij zich bevinden;

    • b. boordlichten die moeten zijn geplaatst

      • 1°. op gelijke hoogte in een lijn loodrecht op de lengte-as,

      • 2°. op het breedste gedeelte van het duwstel op of zo dicht mogelijk bij de duwboot,

      • 3°. ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel, en

      • 4°. op een hoogte van tenminste 2 m;

    • c.

      • 1°. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar, op een zodanige hoogte dat zij niet door een van de andere schepen van het duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;

      • 2°. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is. Indien, behalve de duwboot, meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden gevoerd. Dit licht moet worden gevoerd op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

    Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder c.

  • 2.Een duwstel dat wordt geassisteerd moet voeren:

    • des nachts:

      de lichten voorgeschreven bij het eerste lid. De lichten bedoeld in het eerste lid, onder c, 1e, dienen echter gele lichten te zijn;

    • des daags:

      een gele bol op de duwboot op een hoogte van tenminste 5 m.

  • 3.Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c, 1e, voeren op de duwboot aan stuurboord; de andere duwboot moet het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder c, 2e, voeren.

  • 4.Een duwstel, waarvan de grootste lengte niet meer dan 110 m en de grootste breedte niet meer dan 12 m bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als één motorschip van dezelfde afmetingen.

  • 1.Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen moet ’s nachts voeren:

    • a. een toplicht op het voorschip van elk schip, in de lengte-as op een hoogte van tenminste 5 m.

      Op een schip dat geen motorschip is, mag in plaats van dit licht worden gevoerd een wit helder rondom schijnend licht, op een geschikte plaats en op een hoogte van tenminste 5 m, maar niet hoger dan het toplicht van het motorschip of de toplichten van de motorschepen. De hoogte van zowel het toplicht als het rondom schijnende licht mag worden verminderd tot 4 m, indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel, voorzover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en tenminste 1 m lager dan het laagste licht, bedoeld onder a. Zij moeten zijn geplaatst in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip;

    • c. een heklicht op het achterschip van elk schip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip en op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt.

  • 2.Een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen dat wordt geassisteerd moet voeren:

    • a. ’s nachts: de lichten voorgeschreven in het eerste lid;

    • b. overdag: een gele bol, voorop op een hoogte van ten minste 5 m.

  • 3.Indien bij een gekoppeld samenstel bestaande uit grote schepen het langszijde van het motorschip vastgemaakte andersoortige schip een zeegaand schip is, mag het motorschip, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, de lichten voeren, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, en mag het andersoortige schip voeren: boordlichten en een heklicht, als bedoeld in het eerste lid, onder b en c.

  • 4.Een gekoppeld samenstel, waarvan de grootste lengte meer dan 140 m bedraagt, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als een duwstel van dezelfde lengte.

Een groot zeilschip moet ’s nachts voeren:

  • a. boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het schip. Zij mogen gewone lichten zijn;

  • b. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;

  • c. twee heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste groen, met een onderlinge afstand van ten minste 1 m, aan of nabij de top van de mast, waar deze het best kunnen worden gezien.

  • 1.Een alleenvarend klein motorschip moet ’s nachts voeren:

    • a. hetzij:

      • 1°. een toplicht in de lengteas van het schip, op dezelfde hoogte als de boordlichten en tenminste 1 m voor deze lichten. Dit licht moet een helder licht zijn;

      • 2°. boordlichten. Deze lichten mogen gewone lichten zijn. Zij moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de lengteas van het schip bevinden; en

      • 3°. een heklicht op het achterschip, op zodanige hoogte dat het voor een oploper goed zichtbaar is;

    • b. hetzij:

      • 1°. een toplicht, zoals voorgeschreven onder a, 1°. Dit licht moet echter ten minste 1 m hoger dan de boordlichten worden gevoerd;

      • 2°. de boordlichten, zoals voorgeschreven onder a, 2°. Deze lichten mogen echter onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengteas van het schip aan of nabij de boeg worden gevoerd; en

      • 3°. een heklicht, zoals voorgeschreven onder a, 3°. In plaats van dit heklicht en van het onder b, 1°, bedoelde toplicht mag een wit rondom schijnend licht worden gevoerd.

  • 2.Een alleenvarend klein open motorschip met een lengte van minder dan 7 m waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer is dan 13 km per uur ten opzichte van het water mag, in plaats van de bij het eerste lid voorgeschreven lichten, een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.

  • 3.Een klein motorschip dat slechts kleine schepen sleept dan wel langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt moet des nachts de bij het eerste lid voorgeschreven lichten voeren.

  • 4.Een klein schip dat wordt gesleept dan wel langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid is niet van toepassing op de bijboot van een schip.

  • 5.Een klein zeilschip moet des nachts voeren:

    • hetzij boordlichten en een heklicht, zodanig dat de boordlichten naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg en het heklicht op het achterschip zijn aangebracht. De boordlichten mogen gewone lichten zijn;

    • hetzij boordlichten en een heklicht, verenigd in één lantaarn, aan of nabij de top van de mast waar deze het best kan worden gezien. Dit mag een gewoon licht zijn;

    • hetzij, indien de lengte van het schip minder dan 7 m bedraagt, een wit gewoon rondom schijnend licht op een zodanige hoogte, dat het van alle zijden zichtbaar is. Het schip moet dan bovendien bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit gewoon licht tonen om de aandacht te trekken.

  • 6.Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren.

  • 7.Een klein schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt moet overdag voeren: een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, op een plaats waar hij het best kan worden gezien.

  • 1. Een schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken voeren:

    • a. ’s nachts: een blauw licht;

    • b. overdag: een blauwe kegel met de punt naar beneden.

    Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat het van alle zijden zichtbaar is.

    In plaats van het dagteken kan ook telkens één blauwe kegel op het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3 m worden gevoerd.

  • 2. Een schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1 of nr. 7.2.5.0.2, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:

    • a. ’s nachts: twee blauwe lichten;

    • b. overdag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden.

    Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. In plaats van twee blauwe kegels kunnen ook telkens twee blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd, waarvan de onderste op een hoogte van tenminste 3 m.

  • 3. Een schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, nr. 7.1.5.0.1, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens voeren:

    • a. ’s nachts: drie blauwe lichten;

    • b. overdag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden.

    Deze tekens moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 4. Indien een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer schepen bevat, bedoeld in één der voorgaande leden, moet, in plaats van dit schip of van deze schepen, de duwboot of het schip dat dient voor het voortbewegen van het gekoppeld samenstel het teken of de tekens, vermeld in dat lid, voeren.

  • 5. Een duwstel, dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, moet de tekens bedoeld in het vierde lid op de duwboot aan stuurboord voeren.

  • 6. Een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet uitsluitend de tekens voeren voor de gevaarlijke stof die volgens de voorgaande leden het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.

  • 7. Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, als bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig met een schip, dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, wil worden geschut, bij het naderen van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.

  • 8. De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in één der voorgaande leden dient tenminste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.

  • 1.Een varend passagiersschip waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 m moet overdag voeren: een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 2.De bevoegde autoriteit kan vaarwegen aanwijzen waarop de verplichting van het eerste lid niet van toepassing is.

  • 1. Een niet-vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:

    • a. een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de lengte van de pont 15 m niet overschrijdt;

    • b. een groen helder rondom schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.

  • 2. De het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel moet des nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend licht, tenminste 3 m boven het wateroppervlak.

  • 3. Een vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:

    • a. een wit helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder a;

    • b. een groen helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder b, en,

    • c. boordlichten en een heklicht. Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder b en c .

Een schip dat recht van voorrang heeft voor de doorvaart op plaatsen waar de volgorde van doorvaren is geregeld en dat van dit recht gebruik wil maken moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend dagteken voeren:

een rode wimpel op het voorschip op een voldoende hoogte om goed zichtbaar te zijn.

  • 1. Een schip dat onmanoeuvreerbaar wordt moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens zo nodig tonen:

    • des nachts:

      • a. een rood licht waarmee heen en weer wordt gezwaaid. In het geval van een klein schip mag dit een wit licht zijn, of

      • b. twee rode gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn;

    • des daags:

      • c. een rode vlag waarmee heen en weer wordt gezwaaid, of

      • d. twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde tekens vervangen het in bijlage 6 onder A vermelde geluidssein of vullen dat aan. De vlag mag worden vervangen door een bord van dezelfde kleur.

Onverminderd de bijzondere voorschriften die ingevolge artikel 1.21 kunnen worden gesteld moeten een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting des nachts voeren:

witte heldere rondom schijnende lichten in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 1. Een groot schip dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt moet ’s nachts voeren: een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van tenminste 3 m.

    In plaats van dit licht mogen ook twee witte gewone rondom schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.

  • 2. Een groot schip dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:

    • a. ’s nachts: twee witte gewone rondom schijnende lichten waar deze het best kunnen worden gezien, het ene op het voorschip op een hoogte van tenminste 4 m en het andere op het achterschip op een hoogte van tenminste 2 m en tenminste 2 m lager dan het licht op het voorschip;

    • b. overdag: een zwarte bol op het voorschip, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 3. Een duwstel dat stilligt zonder direct of indirect aan de oever gemeerd te liggen moet voeren:

    • des nachts:

      een wit gewoon rondom schijnend licht op elk schip, telkens waar dit het best kan worden gezien, op een hoogte van tenminste 4 m.

      Het duwstel behoeft op de duwbakken tezamen niet meer dan vier lichten te voeren, mits de contouren van het duwstel hierdoor goed worden aangegeven.

    • des daags:

      een zwarte bol op de duwboot of de duwboten en op het voorste andersoortige schip of de voorste andersoortige schepen aan de buitenzijden.

  • 4. Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet voeren:

    • a. ’s nachts: een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien;

    • b. overdag, indien het niet direct of indirect aan de oever gemeerd ligt: een zwarte bol op een geschikte plaats, op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 5. De in dit artikel bedoelde tekens behoeven niet gevoerd te worden door een schip:

    • a. dat ligt in een vaarweg of in een gedeelte van een vaarweg, aangewezen door de bevoegde autoriteit;

    • b. dat ligt in een vaarweg waar varen niet mogelijk dan wel verboden is;

    • c. dat direct of indirect aan de oever gemeerd ligt en vanwege aldaar aanwezige verlichting voldoende zichtbaar is;

    • d. dat op een veilige ligplaats ligt;

    • e. dat ligt op een ligplaats die de bevoegde autoriteit als zodanig heeft aangeduid en waar hij het achterwege laten van het voeren van de tekens heeft toegestaan.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op de schepen, bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.25.

Artikel 3.14 is eveneens van toepassing op het schip, het duwstel of het gekoppeld samenstel, bedoeld in dat artikel, wanneer het stilligt.
  • 1. Een op zijn aanlegplaats stilliggende niet-vrijvarende veerpont moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren.

    Bovendien moet de het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel des nachts het bij artikel 3.16, tweede lid, voorgeschreven licht voeren.

  • 2. Een op zijn aanlegplaats stilliggende vrijvarende veerpont, die dienst doet, moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren. Hij mag bovendien de bij artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, voorgeschreven lichten blijven voeren. Hij moet de lichten bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, onder b en c, en het groene licht bedoeld in artikel 3.16, derde lid, onder b, doven, zodra hij buiten dienst is.

Onverminderd de bijzondere voorschriften die op grond van artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting des nachts voeren:

witte gewone rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om hun omtrek aan de zijde van het vaarwater aan te duiden, op een zodanige hoogte dat zij van het vaarwater af goed zichtbaar zijn.

Artikel 3.20, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Een schip dat op een vaarweg waar stroom loopt een net of een uitlegger in of in de nabijheid van het vaarwater heeft uitstaan, moet, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, en zodanig dat het zijn net of uitlegger aanduidt, voeren:

  • des nachts:

    een wit gewoon rondom schijnend licht;

  • des daags:

    een gele vlag.

  • 1. Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip dat in het vaarwater werken uitvoert, dan wel peilingen of metingen verricht, moeten voeren:

    • a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      • des nachts:

        twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

      • des daags:

        twee groene ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

    • b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      • des nachts:

        een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;

      • des daags:

        een rode bol op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder a voorgeschreven groene ruiten;

        of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd willen worden:

    • c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      • des nachts:

        een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit;

      • des daags:

        een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is dan wel twee borden in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste wit;

    • d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      • des nachts:

        een rood rondom schijnend licht op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;

      • des daags:

        een rood bord op dezelfde hoogte als het rood-witte bord of als het rode bord, voorgeschreven onder c.

        Deze tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De borden mogen worden vervangen door vlaggen van dezelfde kleur.

  • 2. Een vastgevaren of gezonken schip moet de bij het eerste lid, onder c en d, voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.

  • 3. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid voorgeschreven tekens.

  • 1. Een schip waarvan een anker zodanig is uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de scheepvaart kan worden gevormd, moet des nachts, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomend licht voeren:

    een tweede wit gewoon rondom schijnend licht:

    • hetzij, ingeval op het schip artikel 3.20, eerste, derde of vierde lid, van toepassing is, ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde licht; indien in het geval van artikel 3.20, eerste lid, twee van deze lichten zijn aangebracht, moet het bijkomend licht worden gevoerd onder het licht dat het meest nabij het uitstaande anker is aangebracht;

    • hetzij, ingeval op het schip artikel 3.20, tweede lid , van toepassing is, ongeveer 1 m loodrecht onder het aldaar bedoelde licht op het voorschip.

  • 2. Een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting waarvan één of meer ankers zodanig zijn uitgezet, dat daardoor een gevaar voor de scheepvaart kan worden gevormd, moeten van de in artikel 3.23 bedoelde lichten het licht dan wel elk van de lichten dat zich het meest nabij dit anker dan wel deze ankers bevindt vervangen door:

    twee gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.

  • 3. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting moeten het anker of elk van de ankers bedoeld in het eerste en tweede lid aanduiden door:

    een gele boei voorzien van een radarreflector.

  • 4. Een drijvend werktuig waarvan één of meer ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen moet dit anker dan wel elk van deze ankers aanduiden door:

    • des nachts:

      een boei voorzien van een wit gewoon rondom schijnend licht en een radarreflector;

    • des daags:

      een gele boei voorzien van een radarreflector.

Een schip van ambtenaren belast met toezicht of opsporing mag, om zich kenbaar te maken, als bijkomend teken een blauw gewoon rondom schijnend flikkerlicht of snel flikkerlicht tonen. Het zelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.
Een schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden uitvoert mag, om dit kenbaar te maken, als bijkomend teken, met toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen: een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht of snel flikkerlicht.
  • 1. De in het tweede lid vermelde schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die beschermd willen worden tegen hinderlijke waterbeweging veroorzaakt door het langsvaren van andere schepen of drijvende voorwerpen, mogen, teneinde dit kenbaar te maken, als bijkomende tekens tonen:

    • des nachts:

      een rood helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood en het onderste wit, op een zodanige plaats dat zij van alle zijden zichtbaar zijn en niet met andere lichten kunnen worden verward;

    • des daags:

      een bord waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is dan wel twee borden in een verticale lijn, het bovenste rood en het onderste wit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat elk bord van alle zijden zichtbaar is. De borden mogen worden vervangen door vlaggen van dezelfde kleur.

  • 2. De schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die de in het eerste lid bedoelde tekens mogen tonen, zijn:

    • a. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen die zwaar zijn beschadigd of in het vaarwater werkzaamheden verrichten, alsmede schepen die niet in staat zijn te manoeuvreren;

    • b. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen, die zijn voorzien van een schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

  • 1. Een in nood verkerend schip, dat hulp wil inroepen, mag tonen:

    • hetzij: des nachts een licht waarmee in het rond wordt gezwaaid, en des daags een vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid;

    • hetzij: vuurpijlen, lichtkogels, parachutelichten of rookbommen dan wel vlammen;

    • hetzij: des daags een vlag met daarboven of daaronder een bol of een daarop gelijkend voorwerp.

  • 3. Een schip dat medische hulp wil inroepen, mag geven:

    vier korte stoten, gevolgd door één lange stoot.

  • 1.Indien op grond van wettelijke bepalingen de toegang aan boord van een schip voor onbevoegden is verboden, moet het schip dit aan boord of bij de loopplank aanduiden door:

    één of meer ronde borden, aan beide zijden wit met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een voetganger.

    In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 60 cm bedragen.

  • 2.Des nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.

  • 1.Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is verboden:

    • a. te roken;

    • b. onbeschermd licht of vuur te gebruiken;

    moet dit verbod worden aangeduid door: een of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een rokende sigaret. Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 0,60 m bedragen.

  • 2.Des nachts moeten deze borden moeten zodanig zijn verlicht dat zij duidelijk zichtbaar zijn.

  • 1. Indien het op grond van wettelijke bepalingen is verboden dichtbij een schip evenwijdig daaraan ligplaats te nemen, moet dit schip op het dek in de lengte-as voeren:

    een vierkant bord aan de onderzijde waarvan zich een driehoek bevindt. Het bord moet aan beide zijden wit zijn met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de letter P en de driehoek aan beide zijden wit met, in zwart, cijfers die de afstand in meters aangeven waarbinnen geen ligplaats mag worden genomen.

  • 2. Des nachts moet dit bord zodanig zijn verlicht dat het aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar is.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.

  • 1.Een varend schip dat wegens de uitvoering van werkzaamheden in het vaarwater beperkt is in zijn mogelijkheden om voor andere schepen uit te wijken overeenkomstig de vaarregels van dit reglement en dat deswege door zijn positie of zijn gedrag aanleiding kan geven tot een gevaarlijke situatie moet, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, voeren:

    • a. ’s nachts: drie heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn, het bovenste en het onderste rood en het middelste wit;

    • b. overdag: een zwarte bol, een zwarte ruit en een zwarte bol in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 2.Indien de doorvaart niet aan beide zijden van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens voeren:

    • a. ’s nachts:

      • 1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee rode heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

      • 2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

    • b. overdag:

      • 1°. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is: twee zwarte bollen in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

      • 2°. aan de zijde waar de doorvaart vrij is: twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.

  • 3.Indien de doorvaart aan beide zijden van het schip vrij is, moet het schip behalve de in het eerste lid bedoelde tekens aan beide zijden voeren:

    • a. ’s nachts: twee groene heldere of gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

    • b. overdag: twee zwarte ruiten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.

  • 4.De lichten, bollen en ruiten, bedoeld in het tweede en derde lid, mogen niet hoger zijn aangebracht dan het laagste van de lichten of bollen, bedoeld in het eerste lid, en zij moeten tenminste 2 m daarvan verwijderd zijn.

  • 5.In plaats van de in dit artikel bedoelde tekens mogen de tekens, bedoeld in artikel 3.25, worden gevoerd.

Een schip bezig met mijnenopruimingswerkzaamheden moet, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, voeren:

  • a. ’s nachts: drie groene heldere of gewone rondom schijnende lichten, één aan of nabij de top van de mast op het voorschip en één aan elk uiteinde van de ra van deze mast;

  • b. overdag: drie zwarte bollen op dezelfde plaatsen als de lichten ’s nachts.

Een schip dat loodsdienst uitoefent moet voeren:

  • a. ’s nachts:

    • 1°. een wit helder of gewoon rondom schijnend licht en een rood helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn, het bovenste wit en het onderste rood, aan of nabij de top van de mast op het voorschip;

    • 2°. boordlichten op gelijke hoogte, in een lijn loodrecht op de lengte-as en ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het schip; en

    • 3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip op een zodanige hoogte, dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;

  • b. overdag: een blauwe vlag met, in wit, de letter L aan of nabij de top van de mast op het voorschip.

Een vissersschip moet voeren:

  • a. ’s nachts:

    • 1°. een groen helder of gewoon rondom schijnend licht en een wit helder of gewoon rondom schijnend licht in een verticale lijn met een onderlinge afstand van tenminste 1 m, het bovenste groen en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat het onderste zich tenminste 2 m boven de boordlichten bevindt.

    • boordlichten op gelijke hoogte en in een lijn loodrecht op de lengte-as van het schip, tenminste 1 m lager dan het witte licht bedoeld in onderdeel a, 1°, en niet meer dan 1 m binnen de buitenzijden van het schip; en

    • 3°. een heklicht op het achterschip, zoveel als mogelijk in de lengte-as van het schip, op een zodanige hoogte dat het goed zichtbaar is voor een ander schip dat het schip oploopt;

  • b. overdag: twee zwarte kegels met de punten tegen elkaar (diabolo) in een verticale lijn, op een zodanige hoogte dat zij van alle zijden goed zichtbaar zijn.

Het schip mag tevens achter en hoger dan het groene licht, bedoeld onder a, 1°, een toplicht voeren.

  • 1.Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken moet, behalve de bij artikel 3.08, respectievelijk artikel 3.20 voorgeschreven tekens, als bijkomend teken voeren: de internationale seinvlag «A» dan wel een replica daarvan vervaardigd van niet buigzaam materiaal, op een zodanige hoogte en op een zodanige wijze dat deze van alle zijden zichtbaar is. ’s Nachts moet dit teken zodanig zijn verlicht, dat het duidelijk zichtbaar is.

  • 2.Het bijkomende teken, bedoeld in het eerste lid, mag ook worden getoond bij duikwerkzaamheden die vanaf de wal worden uitgevoerd.