• 1. Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op de met de Westerschelde in open verbinding staande havens en voorhavens.

  • 2. Onder een haven is een laad- of losplaats begrepen.

  • 1.Het zeegaand motorschip aan de kop van een sleep alsmede het zeegaand motorschip dat een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteert mag in plaats van het gele licht, bedoeld in artikel 3.09, eerste lid, onder c, een heklicht voeren.

  • 2.Indien een sleep verscheidene zeegaande motorschepen bevat, die niet in kiellinie varen, dan wel verscheidene motorschepen tezamen een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel assisteren, is het eerste lid van toepassing op elk van deze zeegaande schepen.

  • 4.Een motorschip, waarvoor bij artikel 3.09, eerste en tweede lid, een gele cylinder is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen. Een motorschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel, waarvoor bij artikel 3.09, derde lid, een gele bol is voorgeschreven, behoeft deze niet te voeren maar het mag dit doen.

  • 5.Indien een duwstel door één of meer motorschepen wordt geassisteerd, behoeven de drie lichten op de duwboot niet overeenkomstig artikel 3.10, tweede lid, gele lichten te zijn maar zij mogen dit zijn.

Een schip van de veerdiensten over de Westerschelde, dat op zijn aanlegplaats stilligt terwijl het dienst doet, mag de lichten blijven voeren die zijn voorgeschreven voor een varend schip.

Een zeegaand schip mag, indien de radarinstallatie goed functioneert, gebruik maken van radar:

  • 1. Een schip mag niet uit een haven of een voorhaven het vaarwater van de Westerschelde invaren, indien daardoor een schip dat dit vaarwater in een gestrekte koers volgt zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid mag een tankschip, dat samengeperste vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen vervoert, niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit uit een haven of een voorhaven het vaarwater van de Westerschelde invaren.

Een zeegaand schip mag op radar varen, zonder dat zich overeenkomstig artikel 6.32, eerste lid, een persoon in de stuurhut bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder b.
  • 1. Bij slecht zicht mag een varend schip, indien het gestopt ligt en geen vaart door het water loopt, in plaats van één lange stoot als bedoeld in de artikelen 6.32, vierde lid, en 6.33, eerste lid, geven:

    twee opeenvolgende lange stoten met een tijdruimte daartussen van ongeveer twee seconden.

  • 2. Het schip moet het in het eerste lid bedoelde sein, voor zover dit wordt gegeven ingevolge artikel 6.33, eerste lid, herhalen met tussenpozen van ten hoogste twee minuten.