• 1.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vaarwegen en havens, genoemd in bijlage 11.

  • 2.Onder een haven is een laad- of losplaats begrepen.

  • 1.Een bovenmaats zeegaand schip moet op de daartoe aangewezen vaarwegen de daartoe vastgestelde voorschriften in acht nemen.

  • 2.De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen betreffen:

    • a. de toegelaten afmetingen van een schip;

    • b. de bouw, de uitrusting, het motorvermogen en de manoeuvreerbaarheid van een schip;

    • c. de grootste snelheid waarmede mag worden gevaren;

    • d. de meteorologische omstandigheden waaronder mag worden gevaren;

    • e. de te volgen route.

Een varend bovenmaats zeegaand schip moet, op de wijze en wat de lichten betreft met de lichtsterkte en de kleur, vermeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, behalve de tekens bedoeld in artikel 3.08, als bijkomende tekens voeren:

  • a. ’s nachts: drie rode rondom schijnende lichten in een verticale lijn;

  • b. overdag: een zwarte cilinder.

  • 1.Een zeegaand schip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in bijlage 12, moet als bijkomende tekens voeren:

    • a. ’s nachts: een rood helder rondom schijnend licht;

    • b. overdag: de internationale seinvlag «B».

  • 2.Deze tekens moeten worden gevoerd daar waar zij het best kunnen worden gezien en op een hoogte van ten minste 6 m.

Een zeegaand schip mag de internationale vlaggeseinen “A”, “B”, “G”, “H”, “P”, “Q” en “Z” geven.
  • 1.Een zeegaand motorschip behoeft niet het gele lichtsein, bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, te tonen, maar mag dit tonen.

  • 2.Een zeegaand schip mag de algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A van bijlage 6, aanvullen met een wit lichtsein als bedoeld in de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. Het schip mag dan niet het in het eerste lid bedoelde gele lichtsein tonen.

  • 3.Het witte lichtsein mag afhankelijk van de omstandigheden worden herhaald.

  • 4.Dit artikel geldt niet voor klokslagen en reeksen klokslagen.

vervallen (per 19-05-2012)
  • 1.In afwijking van hoofdstuk 6 is een schip verplicht aan een bovenmaats zeegaand schip voorrang te verlenen.

  • 3.Indien één van twee schepen die elkaar naderen op tegengestelde koersen een schip is dat de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voert, is artikel 6.04a niet van toepassing.

  • 4.Schepen die de lichten of het dagteken, bedoeld in artikel 10.03, voeren moeten zich behoudens het derde lid onderling gedragen naar de vaarregels van hoofdstuk 6.

Een schip mag behalve bij voorbijlopen en bij voorbijvaren op tegengestelde koersen niet varen binnen een afstand van 50 m van een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, voert.
  • 1. Een schip mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 m van een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, voert.

  • 2. De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen afwijkingen toestaan.

  • 3. Een schip dat het licht of het dagteken, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, moet voeren, mag geen ligplaats nemen binnen een afstand van 50 meter van andere schepen.

In afwijking van artikel 4.05, eerste lid, mag een zeegaand groot schip zijn uitgerust met een marifooninstallatie van het type dat voor het gebruik in de frequentieband van 156 –174 MHz is toegelaten.